rust

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rust
enkelvoud meervoud
naamwoord rust -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

[A] rust v/m

  1. een tijdloze toestand van kalmte en beheersing die niet wordt verstoord door onverwachte bewegingen of geluiden, en die geen bedreigingen kent
    We hadden het hele eiland voor ons alleen, wat een paradijselijke rust.
  2. een tijdelijke toestand van ontspanning en herstel na arbeid, moeite of inspanning
    Na zo'n avontuur komt men maar langzaam tot rust.
  3. een periode van weinig of geen activiteit, van ontspanning, bezinning en herstel
    Een mens heeft minstens acht uur rust per dag nodig.
  4. (sport) een onderbreking van een wedstrijd voor ontspanning en herstel
    Na de rust werden geen doelpunten gemaakt.
  5. (muziek) een moment of periode in een muziekstuk waarin één of meer instrumenten geluidloos zijn
    In deze passage hebben de blazers het moeilijk, er komt geen tel rust in voor.
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Typische woordcombinaties
  • [1]: met rust laten
laten betijen, z'n gang laten gaan
  • [2]: tot rust komen
bedaren
  • [2]: eeuwige rust
dood
  • [3]: in rust
passief zijn, stand-by zijn
  • [3]: in ruste
niet meer werkzaam zijn
Uitdrukkingen en gezegden
  • [2]: rust noch duur hebben
  • [2]: rust roest
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord rust rusten
verkleinwoord rustje rustjes

Zelfstandig naamwoord

[B] rust v/m

  1. (techniek) een steunpunt voor hand of voet
    De motorrijder staat tijdens de veldrit op de voetrusten.
  2. (scheepvaart) een stevige klamp of brede rand die buitenboord op dekhoogte van een zeilschip is aangebracht, om er het want aan te bevestigen
    De bevestigingspunten (puttings) voor de wanten zijn op de rust aangebracht.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Werkwoord

vervoeging van
rusten

rust

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van rusten
  2. gebiedende wijs van rusten


Engels

Werkwoord

rust

  1. roesten