ruil

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ruil
enkelvoud meervoud
naamwoord ruil ruilen
verkleinwoord ruiltje ruiltjes

Zelfstandig naamwoord

ruil m

  1. een uitwisseling van goederen
    Hij bood het te ruil aan.

Werkwoord

vervoeging van
ruilen

ruil

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruilen
    Ik ruil.
  2. gebiedende wijs van ruilen
    Ruil!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruilen
    Ruil je?