rui
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- rui
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | rui | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
rui m
- (dierkunde) het periodiek uitvallen van het verenkleed van vogels
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| ruien |
rui
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruien
- Ik rui.
- gebiedende wijs van ruien
- Rui!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruien
- Rui je?
Opmerkingen
- De bovenstaande werkwoordsvormen zijn goeddeels hypothetisch gezien de betekenis van het woord.