ruïneerden
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- ruï·neer·den, ru·ineer·den
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| ruïneren |
ruïneerden
- meervoud verleden tijd van ruïneren
- Wij ruïneerden.
- Jullie ruïneerden.
- Zij ruïneerden.
- Wij ruïneerden.