roofde
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- roof·de
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| roven |
roofde
- enkelvoud verleden tijd van roven
- Ik roofde.
- Jij roofde.
- Hij, zij, het roofde.
- Ik roofde.
| vervoeging van |
|---|
| roven |
roofde