ronselen
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- ron·se·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| ronselen |
ronselde |
geronseld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
ronselen
- (overgankelijk) iemand aanwerven voor dienst in het leger of aan boord van een schip
- Hij liet zich ronselen en belandde zo op Java.