rolschaats

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Rolschaatsen

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rol·schaats
enkelvoud meervoud
naamwoord rolschaats rolschaatsen
verkleinwoord rolschaatsje rolschaatsjes

Zelfstandig naamwoord

rolschaats v/m

  1. een onder de voet te binden stel wieltjes waarop men zich schaatsend voortbewegen kan
    Hij deed zijn rolschaatsjes aan en ging met zijn vriendjes hockey spelen.

Werkwoord

vervoeging van
rolschaatsen

rolschaats

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rolschaatsen
    Ik rolschaats.
  2. gebiedende wijs van rolschaatsen
    Rolschaats!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rolschaatsen
    Rolschaats je?
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen