rolschaats
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- rol·schaats
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | rolschaats | rolschaatsen |
| verkleinwoord | rolschaatsje | rolschaatsjes |
Zelfstandig naamwoord
- een onder de voet te binden stel wieltjes waarop men zich schaatsend voortbewegen kan
- Hij deed zijn rolschaatsjes aan en ging met zijn vriendjes hockey spelen.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| rolschaatsen |
rolschaats
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rolschaatsen
- Ik rolschaats.
- gebiedende wijs van rolschaatsen
- Rolschaats!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rolschaatsen
- Rolschaats je?