roer
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- roer
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | roer | roeren |
| verkleinwoord | roertje | roertjes |
Zelfstandig naamwoord
roer o
- vlak waarmee de besturing van een schip of een vliegtuig geregeld wordt
- stuurmiddel van een schip
- lokvogel.
- de buis van een pijp (om te roken)
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
- roerkoning, roerblad, roerbalans, roercommando, roerganger, roerhaak, roerketting, roerklamp, roerklik, roerpen, roerspil, roerstel, roersteven, roertalie, roervlak
- roerdomp
- roerei, roerhoutje, roerijzer, roerspaan
Spreekwoorden
|
Vertalingen
1. vlak waarmee gestuurd wordt
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| roeren |
roer
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roeren
- Ik roer.
- gebiedende wijs van roeren
- Roer!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roeren
- Roer je?
Spaans
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| roer |
roía |
roído |
| volledig | ||
Werkwoord
roer