rivaal
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ri·vaal
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | rivaal | rivalen |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
rivaal m
- iemand met wie men wedijvert voor het bereiken van een bepaald doel
- Van oudsher zijn de voetbalclubs elkaars grote rivalen.