riskeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ris·ke·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
riskeren
riskeerde
geriskeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

riskeren

  1. (overgankelijk) blootstellen aan een kans op verlies
    Zij riskeerden daarmee door de politie met traangas en rubberen kogels geschoten te worden.