riskeren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ris·ke·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| riskeren |
riskeerde |
geriskeerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
riskeren
- (overgankelijk) blootstellen aan een kans op verlies
- Zij riskeerden daarmee door de politie met traangas en rubberen kogels geschoten te worden.