ringe

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rin·ge

Werkwoord

vervoeging van
ringen

ringe

  1. aanvoegende wijs van ringen


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • rin·ge
Woordherkomst en -opbouw
  • (bijvoeglijk naamwoord) Afkomstig uit het Nederduits.
  • (werkwoord [A] en zelfstandig naamwoord) Afkomstig van het Oudnoorse woord hringja.
  • (werkwoord [B]) Afgeleid van het Noorse woord ring.

Bijvoeglijk naamwoord

ringe

  1. gering, laag
  2. armoedig, behoeftig, pover, schamel
    «Han vokste opp i ringe kår.»
    Hij leefde in armoedige omstandigheden.
Verbuiging
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud ringe ringere ringest
o enkelvoud ringe
meervoud ringe
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
ringe ringere ringeste
Afgeleide begrippen
stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ringe
ringer
ringet
ringa
ringet
ringa
Klasse 1 zwak [A] + [B]

Werkwoord

[A] ringe

  1. (overgankelijk) bellen, opbellen (telefoon)
  2. (onovergankelijk) bellen, klinken, schellen
  3. (onovergankelijk) bengelen, luiden (klok, bel)
  4. (onovergankelijk) aanbellen, bellen (voordeur)
  5. (onovergankelijk), (figuurlijk) tot een einde komen.
Synoniemen

Werkwoord

ringe opp

  1. (onovergankelijk) bellen, opbellen (telefoon)

Werkwoord

ringe til

  1. (onovergankelijk) bellen naar (telefoon)

Werkwoord

[B] ringe

  1. ringen (fugl, os, stier)
Synoniemen

Werkwoord

ringe inn

  1. omgeven, omringen, schutten (vee, wild)
  2. achterhalen, insluiten, omsingelen (bende)
Synoniemen

Werkwoord

ringe seg

  1. (wederkerend) krommen, een ring vormen.

Werkwoord

ringe ut

  1. uitknippen, uitronden (V-hals)
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

ringe g

  1. (gereedschap) melkgevest
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   ringe     m: ringen
o: ringa  
  ringer     ringene  
genitief   ringes     m: ringens
o: ringas  
  ringers     ringenes  



Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • rin·ge
Woordherkomst en -opbouw
  • (bijvoeglijk naamwoord) Afkomstig uit het Nederduits.
  • (werkwoord en zelfstandig naamwoord) Afkomstig van het Oudnoorse woord hringja.
stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ringe
ringer
ringde
(bijvorm) ringte
ringt
(bijvorm) ringd
Klasse 2 zwak [A]

Werkwoord

[A] ringe

  1. (overgankelijk) bellen, opbellen (telefoon)
  2. (onovergankelijk) bellen, klinken, schellen
  3. (onovergankelijk) bengelen, luiden (klok, bel)
  4. (onovergankelijk) aanbellen, bellen (voordeur)
  5. (onovergankelijk), (figuurlijk) tot een einde komen.
Synoniemen

Werkwoord

ringe opp

  1. (onovergankelijk) bellen, opbellen (telefoon)

Werkwoord

ringe til

  1. (onovergankelijk) bellen naar (telefoon)
stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ringe
ringar
ringa
ringa
Klasse 1 zwak [B]

Werkwoord

[B] ringe

  1. ringen (fugl, os, stier)
Synoniemen

Werkwoord

ringe inn

  1. omgeven, omringen, schutten (vee, wild)
  2. achterhalen, insluiten, omsingelen (bende)
Synoniemen

Werkwoord

ringe seg

  1. (wederkerend) krommen, een ring vormen.

Werkwoord

ringe ut

  1. uitknippen, uitronden (V-hals)

Zelfstandig naamwoord

ringe v

  1. (bijvorm) (gereedschap) melkgevest
Verbuiging
v enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   ringe     ringa     ringer     ringene  
genitief                        
bijvormen enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   ringa         ringor     ringone  
genitief                        
Schrijfwijzen