rijder
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- rij·der
Woordherkomst en -opbouw
- Naamwoord van handeling van rijden met het achtervoegsel -er
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | rijder | rijders |
| verkleinwoord | rijdertje | rijdertjes |
Zelfstandig naamwoord
rijder m
- iemand die een rijdier of voertuig berijdt
- Meer dan 40 procent van de zakelijke rijders overweegt serieus een elektrische auto die een bijtelling heeft van slechts tien procent.