ridderen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- rid·de·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| ridderen |
ridderde |
geridderd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
ridderen
- (overgankelijk) iemand de titel ridder verlenen
- Hij werd geridderd voor zijn vele bijdragen tot de volksgezondheid.