ribbe
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- rib·be
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | ribbe | ribben |
| verkleinwoord | ribbetje | ribbetjes |
Zelfstandig naamwoord
- (anatomie) een van de platte, dunne, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
- (wiskunde) de lengte van een zijde van een kubus of parallellopipedum.
- De lengte van de lichaamsdiagonaal van een kubus is √3 maal de ribbe.
Synoniemen
- [1]: rib
Vertalingen
1. een van de platte, dunne, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Noors
Uitspraak
Woordafbreking
- rib·be
Woordherkomst en -opbouw
- Afkomstig uit het Nederduits.
| Naar frequentie | 26360 |
|---|
| vervoeging | |
|---|---|
| onbepaalde wijs | ribbe |
| tegenwoordige tijd | ribber |
| verleden tijd | ribbet ribba |
| voltooid deelwoord |
ribbet ribba |
| onvoltooid deelwoord |
ribbende |
| lijdende vorm | ribbes |
| gebiedende wijs | ribb |
| vervoegingsklasse | Klasse 1 zwak |
| opmerking | |
Werkwoord
ribbe
- (overgankelijk) plukken (ontdoen van veren van een vogel)
- (overgankelijk) beroven, plunderen
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
- [1]: ribbe en høne
een kip plukken
- [2]: ribbe et hus
een huis plunderen
- [2]: være ribbet for ære og anseelse
beroofd zijn van eer en goede naam
Frase
Zelfstandig naamwoord
- (voeding) rib, varkensrib
- dwarsregel
- rib (smalle verhoging aan de oppervlakte van een voorwerp)
Verbuiging
| m/v | enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | ribben | m: ribben v: ribba |
ribber | ribbene |
| genitief | ribbens | m: ribbens v: ribbas |
ribbers | ribbenes |
Synoniemen
Afgeleide begrippen
- [1]: svineribbe
- [3]: ribbevegg
Uitdrukkingen en gezegden
- [1]: spise ribbe til middag
ribben voor de lunch eten
- [2]: en genser med ribber
een trui met ribben
Nynorsk
Uitspraak
Woordafbreking
- rib·be
Woordherkomst en -opbouw
- Afkomstig uit het Nederduits.
| vervoeging | |
|---|---|
| onbepaalde wijs | ribbe ribba |
| tegenwoordige tijd | ribbar |
| verleden tijd | ribba |
| voltooid deelwoord |
ribba |
| onvoltooid deelwoord |
ribbande |
| lijdende vorm | ribbast (bijvorm): ribbas |
| gebiedende wijs | ribb ribbe ribba |
| vervoegingsklasse | Klasse 1 zwak |
| opmerking | |
Werkwoord
ribbe
- (overgankelijk) plukken (ontdoen van veren van een vogel)
- (overgankelijk) beroven, plunderen
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
- [1]: ribbe ei høne
een kip plukken
- [2]: ribbe eit hus
een huis plunderen
- [2]: vere ribba for ære og vørdnad
beroofd zijn van eer en goede naam
Frase
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | ribben | ribba | ribber | ribbene |
Zelfstandig naamwoord
ribbe v
- (voeding) rib, varkensrib
- dwarsregel
- rib (smalle verhoging aan de oppervlakte van een voorwerp)
- rib] (van de koeling van een motor)
- bergrug
Synoniemen
Afgeleide begrippen
- [1]: svineribbe
- [3]: ribbevegg
Uitdrukkingen en gezegden
- [1]: ribbe med surkål
varkensribbetjes met zuurkool
- [2]: hange i øvste ribba i ribbeveggen
in de bovenste dwarsregel van het klimrek hangen
- [3]: ein genser med ribber
een trui met ribben
- [4]: ribbene i ein kjølegrill
de ribben van de koeling van een motor
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Anatomie in het Nederlands
- Wiskunde in het Nederlands
- Woorden in het Noors
- Zwak werkwoord klasse 1 in het Noors
- Werkwoord in het Noors
- Overgankelijk werkwoord in het Noors
- Zelfstandig naamwoord in het Noors
- Voeding in het Noors
- Woorden in het Nynorsk
- Zwak werkwoord klasse 1 in het Nynorsk
- Werkwoord in het Nynorsk
- Overgankelijk werkwoord in het Nynorsk
- Zelfstandig naamwoord in het Nynorsk
- Voeding in het Nynorsk