reven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·ven
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
reven
reefde
gereefd
zwak -d volledig

Werkwoord

reven

  1. (overgankelijk), (scheepvaart) (m.b.t. een zeil) het effectieve oppervlak verkleinen door samenvouwing of oprolling
    Bij het reven met een bindrif wordt het zeil met reefknuttels aan de giek geknoopt.
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Een 1e, 2e of 3e rif steken
Het reven (1e, 2e of 3e maal)
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
rijven

reven

  1. meervoud verleden tijd van rijven
    Wij reven.
    Jullie reven.
    Zij reven.

Zelfstandig naamwoord

reven mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord reef


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·ven

Zelfstandig naamwoord

reven

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van rev


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·ven

Zelfstandig naamwoord

reven

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van rev