retten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Deens

Woordafbreking
  • ret·ten

Zelfstandig naamwoord

retten, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van ret


Duits

Uitspraak
  • IPA: / ˈʀɛtn̩ /
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
retten
/ ˈʀɛtn̩ /
rettete
/ ˈʀɛtətə /
gerettet
/ ɡəˈʀɛtət /
volledig

Werkwoord

retten

  1. redden
    «Taucher aus Brabant haben vor der nigerianischen Küste nach 60 Stunden einen Schiffskoch aus einem gesunkenen Schleppschiff gerettet
    Brabantse duikers hebben voor de kust van Nigeria een scheepskok na 60 uur uit een gezonken sleepboot gered.


Noors

Woordafbreking
  • ret·ten
Naar frequentie 1192

Zelfstandig naamwoord

retten, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van rett

Zelfstandig naamwoord

retten, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van rette
Schrijfwijzen


Nynorsk

Woordafbreking
  • ret·ten

Zelfstandig naamwoord

retten, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van rett