retour

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·tour
enkelvoud meervoud
naamwoord retour retours
verkleinwoord retourtje retourtjes

Zelfstandig naamwoord

retour

  1. o: kaartje voor heen- en terugreis
    Mag ik twee retourtjes Utrecht?.
  2. m: teruggang, neergang
    Die is aardig op z'n retour en heeft duidelijk betere dagen gekend.