repareren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- re·pa·re·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| repareren |
repareerde |
gerepareerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
repareren
- iets weer in werkende staat brengen
- De auto was niet meer te repareren.