rechtszaak
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: rechtszaak (hulp, bestand)
- IPA: /rɛx(t)sak/
Woordafbreking
- rechts·zaak
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | rechtszaak | rechtszaken |
| verkleinwoord | rechtszaakje | rechtszaakjes |
Zelfstandig naamwoord
- een geschil dat twee of meer partijen hebben over hun rechten en dat zij aan de uitspraak van een rechter onderwerpen.
- Ze spannen een rechtszaak aan tegen dat bedrijf.
Vertalingen
1. een geschil dat twee of meer partijen hebben over hun rechten en dat zij aan de uitspraak van een rechter onderwerpen