rast
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- rast
Bijvoeglijk naamwoord
rast
- onverbogen vorm van de overtreffende trap van ras
Zweeds
Uitspraak
Zelfstandig naamwoord
rast g
- pauze
- «Barnen har rast halv elva varje dag.»
- De kinderen hebben elke dag om half elf pauze.
- «Barnen har rast halv elva varje dag.»
Verbuiging
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | rast | rasten | raster | rasterna |
| genitief | rasts | rastens | rasters | rasterna |