rammen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ram·men
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| rammen |
ramde |
geramd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
rammen
- (overgankelijk), (militair) een opzettelijke botsing veroorzaken
- Triremen waren toegerust om een vijandelijk schip te rammen.
- (overgankelijk) met een zwaar voorwerp een poort of deur inslaan
- De Geuzen ramden de poort van Brielle en namen de stad in.
Zelfstandig naamwoord
rammen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord ram
Noors
Woordafbreking
- ram·men
Zelfstandig naamwoord
rammen m
- bepaalde vorm nominatief enkelvoud van ram
Zelfstandig naamwoord
rammen m
- bepaalde vorm nominatief enkelvoud van ramme
Synoniemen
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Zwak werkwoord (-d) in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Niet-samengesteld werkwoord in het Nederlands
- Overgankelijk werkwoord in het Nederlands
- Militair in het Nederlands
- Zelfstandig-naamwoordsvorm in het Nederlands
- Woorden in het Noors
- Zelfstandig-naamwoordsvorm in het Noors