rammelaar

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een plastic rammelaar (2)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ram·me·laar
Woordherkomst en -opbouw
  • [1] Afgeleid van rammelen (paren [gezegd van haasachtigen]) met het achtervoegsel -aar.
  • [2], [3] Afgeleid van rammelen (ratelen, een rommelend geluid maken) met het achtervoegsel -aar.
enkelvoud meervoud
naamwoord rammelaar rammelaars
verkleinwoord rammelaartje rammelaartjes

Zelfstandig naamwoord

rammelaar m

  1. (dierkunde) mannetje van een dier uit de familie der Haasachtigen (bijvoorbeeld een konijn of haas)
  2. een speeltuig voor baby's, m.b. een hol voorwerp waarin zich een of meer balletjes bevinden en dat geluid voortbrengt wanneer er mee geschud wordt
  3. babbelaar, tateraar; praatziek persoon
Synoniemen
Vertalingen

Meer informatie