rammelaar
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ram·me·laar
Woordherkomst en -opbouw
- [1] Afgeleid van rammelen (paren [gezegd van haasachtigen]) met het achtervoegsel -aar.
- [2], [3] Afgeleid van rammelen (ratelen, een rommelend geluid maken) met het achtervoegsel -aar.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | rammelaar | rammelaars |
| verkleinwoord | rammelaartje | rammelaartjes |
Zelfstandig naamwoord
rammelaar m
- (dierkunde) mannetje van een dier uit de familie der Haasachtigen (bijvoorbeeld een konijn of haas)
- een speeltuig voor baby's, m.b. een hol voorwerp waarin zich een of meer balletjes bevinden en dat geluid voortbrengt wanneer er mee geschud wordt
- babbelaar, tateraar; praatziek persoon
Synoniemen
- [1] mannetjeshaas, mannetjeskonijn
- [3] babbelaar, tateraar, praatvaar, babbelkous
Vertalingen
1. mannetje van een dier uit de familie der Haasachtigen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.