puin

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • puin
enkelvoud meervoud
naamwoord puin -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

puin o

  1. een massa vergruizelde steen
    Gisteren moesten die herrieschoppers het puin voor straf opruimen.
  2. fijne brokjes diament met lage waarde
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen