publiek
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- pu·bliek
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | publiek | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
publiek o
- een groep toeschouwers
- Het publiek komt niet meer bij van het lachen.
Vertalingen
1. een groep toeschouwers
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | publiek |
| verbogen | publieke |
Bijvoeglijk naamwoord
publiek
- vrij toegangelijk, openbaar
- wat het publiek aangaat
- Het is een publiek geheim dat ...
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
- De publieke omroep.
Vertalingen
1. vrij toegangelijk , openbaar
2. wat het publiek aangaat
Afgeleide begrippen
- publiekelijk, publiekgericht, publiekrecht, publiekrechtelijk, publieksactie, publieksboek, publieksenquête, publieksfilm, publieksgericht, publieksinformatie, publieksjury, publieksomroep, publieksonderzoek, publieksopkomst, publieksprijs, publiekstijdschrift, publiekstrekkend, publiekstrekker, publieksvoorlichting, publieksvriendelijk