produceer
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- pro·du·ceer
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| produceren |
produceer
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van produceren
- Ik produceer.
- gebiedende wijs van produceren
- Produceer!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van produceren
- Produceer je?