prisma

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pris·ma
enkelvoud meervoud
naamwoord prisma prisma's
prismata
verkleinwoord prismaatje prismaatjes

Zelfstandig naamwoord

prisma o

  1. (wiskunde) lichaam, begrensd door twee evenwijdige vlakken en drie of meer zijvlakken met evenwijdige snijlijnen
  2. (optica) prisma van doorschijnend materiaal voor het breken of afbuigen van lichtstralen
Vertalingen

Meer informatie

Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • pris·ma
enkelvoud meervoud
prisma prismas

Zelfstandig naamwoord

prisma m

  1. (wiskunde), (optica) prisma
Verwijzingen