prepareren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- pre·pa·re·ren
Woordherkomst en -opbouw
- Naamwoord van handeling van het Franse préparer (met het achtervoegsel -eren) [1]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| prepareren |
prepareerde |
geprepareerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
prepareren
- (overgankelijk) in gereedheid brengen, voorbereiden
- Hij had de ijkmonsters al geprepareerd en kon nu aan de metingen beginnen.
- bewerken
- opzetten
- klaarmaken voor microscopisch of anatomisch onderzoek
Afgeleide begrippen
- preparaat, preparateur, preparatie, preparator, prepareerloep, prepareermicroscoop, prepareernaald, prepareerwals, prepareerzout
Vertalingen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.