preek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • preek
enkelvoud meervoud
naamwoord preek preken
verkleinwoord preekje preekjes

Zelfstandig naamwoord

preek v/m

  1. een stichtelijk betoog door een geestelijke in een kerkdienst
  2. overdrachtelijk: een vermanende toespraak
    Mijn moeder wil niet dat ik met hem omga en dus kreeg ik weer een hele preek.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
preken

preek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van preken
    Ik preek.
  2. gebiedende wijs van preken
    Preek!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van preken
    Preek je?