preek
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- preek
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | preek | preken |
| verkleinwoord | preekje | preekjes |
Zelfstandig naamwoord
- een stichtelijk betoog door een geestelijke in een kerkdienst
- overdrachtelijk: een vermanende toespraak
- Mijn moeder wil niet dat ik met hem omga en dus kreeg ik weer een hele preek.
Vertalingen
1.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| preken |
preek