pook

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pook

Werkwoord

vervoeging van
poken

pook

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van poken
    Ik pook.
  2. gebiedende wijs van poken
    Pook!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van poken
    Pook je?
enkelvoud meervoud
naamwoord pook poken
verkleinwoord pookje pookjes

Zelfstandig naamwoord

pook v/m

  1. een stang om het vuur op te porren
  2. de versnellingshendel van een auto
  3. (schertsend) een dikke naainaald, breinaald of haarspeld
Anagrammen
Vertalingen