polder

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pol·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord polder polders
verkleinwoord poldertje poldertjes

Zelfstandig naamwoord

polder m

  1. (waterstaat) een bedijkt stuk land waarin de waterstand kunstmatig geregeld wordt
    Heel Flevoland is één grote polder.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
polderen

polder

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van polderen
    Ik polder.
  2. gebiedende wijs van polderen
    Polder!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van polderen
    Polder je?

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Frans

Uitspraak
  • IPA: /pɔl.ˈdɛʁ/
Woordafbreking
  • pol·der
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend aan het Nederlandse polder.
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  polder     le polder     polders     les polders  

Zelfstandig naamwoord

polder m

  1. polder
    «La digue étant rompue, le polder fut inondé.»
    Omdat de dijk gebroken was, is de polder overstroomd.
Synoniemen