polder
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- pol·der
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | polder | polders |
| verkleinwoord | poldertje | poldertjes |
Zelfstandig naamwoord
polder m
- (waterstaat) een bedijkt stuk land waarin de waterstand kunstmatig geregeld wordt
- Heel Flevoland is één grote polder.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. een bedijkt stuk land waarin de waterstand kunstmatig geregeld wordt
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| polderen |
polder
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van polderen
- Ik polder.
- gebiedende wijs van polderen
- Polder!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van polderen
- Polder je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Frans
Uitspraak
- IPA: /pɔl.ˈdɛʁ/
Woordafbreking
- pol·der
Woordherkomst en -opbouw
- Ontleend aan het Nederlandse polder.
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| polder | le polder | polders | les polders |
Zelfstandig naamwoord
polder m
- polder
- «La digue étant rompue, le polder fut inondé.»
- Omdat de dijk gebroken was, is de polder overstroomd.
- «La digue étant rompue, le polder fut inondé.»
Synoniemen
- (Picardië) renclôture