poep
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- poep
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | poep | poepen |
| verkleinwoord | poepje | poepjes |
Zelfstandig naamwoord
poep
- grotendeels vast afvalmateriaal dat in dierlijke uitwerpselen uitgescheiden wordt.
- Hij stapte met zijn schoen in de poep van een hond.
- (België) achterwerk, bips.
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
| poepen |
poep