poep

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • poep
enkelvoud meervoud
naamwoord poep poepen
verkleinwoord poepje poepjes

Zelfstandig naamwoord

poep

  1. grotendeels vast afvalmateriaal dat in dierlijke uitwerpselen uitgescheiden wordt.
    Hij stapte met zijn schoen in de poep van een hond.
  2. (België) achterwerk, bips.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
poepen

poep

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van poepen
    Ik poep.
  2. gebiedende wijs van poepen
    Poep!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van poepen
    Poep je?
Persoonlijke instellingen
Andere talen