plukken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pluk·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
plukken
plukte
geplukt
zwak -t volledig

Werkwoord

plukken

  1. (overgankelijk) (bloemen) afbreken of oogsten
    Zij plukten een paar prachtige bloemen in hun tuin en brachten ze in de woonkamer.
  2. (overgankelijk) ontdoen van de veren
    Hij was de kip helemaal aan het plukken.
  3. (overgankelijk) iemand geld afzetten
    Pluk die vereniging niet zo leeg!
  4. (overgankelijk), (sport) een door de lucht vliegende bal grijpen
    De doelman plukte de bal uit de lucht.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

plukken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord pluk