ploegen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ploe·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ploegen
ploegde
geploegd
zwak -d volledig

Werkwoord

ploegen

  1. (ergatief) zwoegend, met grote moeite zich ergens heen bewegen
    Ze waren eindelijk door de zandvlakte geploegd en kwamen nu op hardere grond.
  2. (inergatief) zwoegend zich met grote moeite voortbewegen
    Er werd geploegd en geploeterd.
  3. (overgankelijk) land met de ploeg bewerken
    De akker was al geploegd.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

ploegen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord ploeg

Meer informatie