pleister
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- pleis·ter
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | pleister | pleisters |
| verkleinwoord | pleistertje | pleistertjes |
Zelfstandig naamwoord
- een dun voorwerp dat ter bescherming over een kleine wond geplakt kan worden
- Als je je in je vinger gesneden hebt, kan je er beter een pleister op doen.
Vertalingen
1. een dun voorwerp dat ter bescherming over een kleine wond geplakt kan worden
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| pleisteren |
pleister
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pleisteren
- Ik pleister.
- gebiedende wijs van pleisteren
- Pleister!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pleisteren
- Pleister je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.