plaag

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plaag
enkelvoud meervoud
naamwoord plaag plagen
verkleinwoord plaagje plaagjes

Zelfstandig naamwoord

plaag v/m

  1. een wijdverspreid ongemak of fysieke bedreiging veroorzaakt door een buitensporig optreden van organismen als insecten, bacteriën, knaagdieren enz
    Een dier dat in zijn land van herkomst een normaal deel van de natuur is, kan best ergens anders een plaag veroorzaken, zoals in Australië met de konijnen gebeurd is.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
plagen

plaag

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plagen
    Ik plaag.
  2. gebiedende wijs van plagen
    Plaag!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plagen
    Plaag je?