pis

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pis
enkelvoud meervoud
naamwoord pis -
verkleinwoord pisje -

Zelfstandig naamwoord

pis m

  1. urine
    Hij stond met zijn laars in de pis.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
pissen

pis

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pissen
    Ik pis.
  2. gebiedende wijs van pissen
    Pis!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pissen
    Pis je?


Iers

  enkelvoud meervoud
nominatief pis piseanna
genitief pise

Zelfstandig naamwoord

pis v

  1. (groente) erwt


Turks

Woordafbreking
  • pis
stellend vergrotend overtreffend
pis daha pis en pis

Bijvoeglijk naamwoord

pis

  1. vies, vuil, smerig
Synoniemen
Antoniemen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen