pion
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: pión (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /piˈɔn/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /piˈɔn/
- Geluid: píon (hulp, bestand)
Woordafbreking
- pi·on
| m | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | pion | pionnen |
| verkleinwoord | pionnetje | pionnetjes |
| o | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | pion | pionen |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
pión m
- (schaak) een schaakstuk dat alleen recht vooruit kan lopen en schuin vooruit slaan.
- Hij schoof zijn pion naar voren om de koning schaak te zetten.
- (Zuid-Nederlands) pylon
píon o
- (natuurkunde) een subatomair deeltje dat bestaat uit twee quarks en dus een boson is.
- Pionen komt in drie varianten voor: +, - en ongeladen.
Vertalingen
1. een schaakstuk dat alleen recht vooruit kan lopen en schuin vooruit slaan
2. een subatomair deeltje dat bestaat uit twee quarks en dus een boson is
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.