pinnen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pin·nen
Woordherkomst en -opbouw
  • [1,2] Afleiding van het letterwoord pin (viercijferige code), dat van persoonlijk identificatienummer komt.
  • [3] Afgeleid van pin, gepunt voorwerp
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
pinnen
pinde
gepind
zwak -d volledig

Werkwoord

pinnen

  1. (inergatief) (financieel), (economie) het opnemen van geld bij een daartoe bedoeld apparaat
  2. (inergatief) (financieel), (economie) het elektronisch betalen met een pinpas
  3. (overgankelijk) met een pin bevestigen
    Hij pinde het speldje op zijn revers.
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Zelfstandig naamwoord

pinnen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord pin