pieper
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- pie·per
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | pieper | piepers |
| verkleinwoord | piepertje | piepertjes |
Zelfstandig naamwoord
pieper m
- een zangvogel uit het geslacht Anthus
- Piepers zijn vooral vogels van terrein met lage begroeiing en zingen terwijl de uit de lucht neerdalen.
- (voeding), (informeel) aardappel
- Staan de piepers al op?
- een voorwerp dat een piepend geluid voortbrengt
- een zoen
- Hij greep haar bij een roksplooi en lonkte smachtend in haar gezicht."Geef mij een pieper, Leentje," fluisterde hij.[1]
Hyponiemen
Vertalingen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Verwijzingen
- ↑ Dietsche Warande en Belfort. Jaargang 1904. J.E. Buschmann, Antwerpen 1904