picknick
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- pick·nick
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | picknick | picknicks |
| verkleinwoord | picknickje | picknickjes |
Zelfstandig naamwoord
picknick m
- een maaltijd in de vrije natuur
- We hebben daar met dat heerlijke weer een picknick gehouden.
Vertalingen
1. een maaltijd in de vrije natuur
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| picknicken |
picknick
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van picknicken
- Ik picknick.
- gebiedende wijs van picknicken
- Picknick!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van picknicken
- Picknick je?