pauze
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- pau·ze
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | pauze | pauzen/pauzes |
| verkleinwoord | pauzetje | pauzetjes |
Zelfstandig naamwoord
- tijd waarin de hoofdactiviteit wordt onderbroken
- In de pauze van het werk ging hij naar huis om te eten.
- onderbreking van iets in het algemeen
- Een pauze in de gevechten.
Synoniemen
- [1], [2] onderbreking
Hyponiemen
- [1] koffiepauze, lunchpauze
Vertalingen
1. tijd waarin de hoofdactiviteit wordt onderbroken
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.