pastoor
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- pas·toor
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | pastoor | pastoors |
| verkleinwoord | pastoortje | pastoortjes |
Zelfstandig naamwoord
pastoor m
- een lid van de katholieke geestelijkheid die zich aan de zielzorg van zijn parochie wijdt
Overerving en ontlening
Vertalingen
1.
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.