partij
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- par·tij
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | partij | partijen |
| verkleinwoord | partijtje | partijtjes |
Zelfstandig naamwoord
partij v
- persoon of groep die een overeenkomst of strijd aangaat met een andere persoon of groep
- Een notaris moet ook nagaan of de partijen zich bewust zijn van de gevolgen van hun wensen.
- (politiek) vereniging van gelijkgezinden die binnen een bepaald gebied hun politieke doelstellingen proberen te verwezenlijken
- Christendemocratische partij, communistische partij, liberale partij, nationalistische partij, sociaaldemocratische partij.
- hoeveelheid koopwaar
- Er is nog een partij schoenen te koop.
- (muziek) een deel in een muziekstuk dat betrekking heeft op één instrument of zangstem
- De eerste en tweede violen spelen elk een eigen partij.
- een spel dat wordt gespeeld, potje, wedstrijd
- Een partijtje schaak.
- De partij tussen Clijsters en Zvonareva werd stilgelegd wegens de regen.
- een feestje, party
- Voor uw feesten of partijen kunt u bij ons terecht in het stijlvolle restaurant of de knusse bar.
Synoniemen
- [6] festiviteit, fuif
Afgeleide begrippen
- [2] oppositiepartij, regeringspartij
- [4] zangpartij
Uitdrukkingen en gezegden
- van de partij zijn
Vertalingen
1. persoon of groep die een overeenkomst of strijd aangaat met een andere persoon of groep
2. vereniging van gelijkgezinden die binnen een bepaald gebied hun politieke doelstellingen proberen te verwezenlijken
3. hoeveelheid koopwaar
4. deel in een muziekstuk dat betrekking heeft op één instrument of zangstem
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Bijwoord
partij
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
- partijtrekken: Zijn vader trok altijd partij voor zijn zusje.