parallel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pa·ral·lel
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van het Griekse 'allḗlois' (elkaar) met het voorvoegsel para- [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord parallel parallellen
verkleinwoord parallelletje parallelletjes

Zelfstandig naamwoord

parallel v/m

  1. (astronomie) (aardrijkskunde) een cirkel op het aardoppervlak waarop alle punten met gelijke geografische breedte (noord of zuid) liggen, breedtecirkel
    De Kreeftskeerkring is een bekende parallel op het noorderlijk halfrond
  2. (wiskunde) lijn die of vlak dat evenwijdig loopt met een andere lijn of een ander vlak
  3. iets dat grote overeenkomst met iets anders heeft
  4. een traject dat vanuit een gegeven startpunt uitkomt op hetzelfde eindpunt b.v parallelschakeling, parallelweg
Synoniemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
stellend
onverbogen parallel
verbogen parallelle

Bijvoeglijk naamwoord

parallel

  1. evenwijdig
  2. overeenkomend, vergelijkbaar
  3. (muziek) zich zo bewegend dat de interval dezelfde blijft
  4. naast en onafhankelijk van elkaar liggend
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl

Meer informatie