parallel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- pa·ral·lel
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | parallel | parallellen |
| verkleinwoord | parallelletje | parallelletjes |
Zelfstandig naamwoord
- (astronomie) (aardrijkskunde) een cirkel op het aardoppervlak waarop alle punten met gelijke geografische breedte (noord of zuid) liggen, breedtecirkel
- De Kreeftskeerkring is een bekende parallel op het noorderlijk halfrond
- (wiskunde) lijn die of vlak dat evenwijdig loopt met een andere lijn of een ander vlak
- iets dat grote overeenkomst met iets anders heeft
- een traject dat vanuit een gegeven startpunt uitkomt op hetzelfde eindpunt b.v parallelschakeling, parallelweg
Synoniemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
- [1] breedteparallel, parallelcirkel, [3] parallelmarkt, parallelprojectie, parallelschakeling, [2] parallelweg, parallellenpostulaat
Verwante begrippen
Vertalingen
1. een cirkel parallel aan de evenaar
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | parallel |
| verbogen | parallelle |
Bijvoeglijk naamwoord
parallel
- evenwijdig
- overeenkomend, vergelijkbaar
- (muziek) zich zo bewegend dat de interval dezelfde blijft
- naast en onafhankelijk van elkaar liggend
Vertalingen
Verwijzingen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.