panorama

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pa·no·ra·ma
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord panorama panorama's
verkleinwoord panoramaatje panoramaatjes

Zelfstandig naamwoord

panorama o

  1. een vergezicht.
    Vanaf de bergtop hadden we een prachtig panorama over de omliggende dalen.
  2. een cilindervormig schilderij dat een stuk landschap of een tafereel in zijn geheel voorstelt, waarbij de toeschouwer midden in de cilinder staat.
    Panorama Mesdag is een cilindervormig schilderij van ongeveer 14 meter hoog en met een omtrek van 120 meter.

Meer informatie


Spaans

enkelvoud meervoud
panorama panoramas

Zelfstandig naamwoord

panorama m

  1. uitzicht