paaien

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • paai·en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
paaien
paaide
gepaaid
zwak -d volledig

Werkwoord

paaien

  1. (inergatief) het leggen en bevruchten van eieren door vissen
    De zalm paait in hetzelfde stroompje waar hij geboren is.
  2. (overgankelijk) trachten in het gevlij te komen bij iemand
    Hij slaagde er opnieuw in zijn geldschieter te paaien en meer geld los te krijgen.
  3. (overgankelijk) (scheepvaart) de bemanning van een ander schip aanspreken
    Er werd direct besloten de Eems te paaien om te vragen of het schip een aantal zwaargewonden kon meenemen naar de neutrale haven van IJmuiden.
  4. (scheepvaart) het bewerken met harpuis van het dooddeel, het deel van het schip boven de waterlijn
  5. (scheepvaart) laten schieten
    Een touw in het ruim paaien.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen