paaien
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- paai·en
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| paaien |
paaide |
gepaaid |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
paaien
- (inergatief) het leggen en bevruchten van eieren door vissen
- De zalm paait in hetzelfde stroompje waar hij geboren is.
- (overgankelijk) trachten in het gevlij te komen bij iemand
- Hij slaagde er opnieuw in zijn geldschieter te paaien en meer geld los te krijgen.
- (overgankelijk) (scheepvaart) de bemanning van een ander schip aanspreken
- Er werd direct besloten de Eems te paaien om te vragen of het schip een aantal zwaargewonden kon meenemen naar de neutrale haven van IJmuiden.
- (scheepvaart) het bewerken met harpuis van het dooddeel, het deel van het schip boven de waterlijn
- (scheepvaart) laten schieten
- Een touw in het ruim paaien.