overtreden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| overtreden | overtredend |
| overtreding | |
| overtreder | |
Woordafbreking
- over·tre·den
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| overtreden |
overtrad |
overtreden |
| klasse 5 | volledig | |
Werkwoord
overtreden
- (overgankelijk) bepaalde denkbeeldige of daadwerkelijke lijnen te buiten gaan
- Hij overtrad daarmee onbedoeld een wet.