overlever
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- over·le·ver
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| overleveren |
overlever
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overleveren
- ... dat ik overlever.
Noors
Woordafbreking
- over·le·ver
Werkwoord
overlever
- gebiedende wijs van overlevere
Nynorsk
Woordafbreking
- over·le·ver
Werkwoord
overlever
- gebiedende wijs van overlevere