overlever

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·le·ver

Werkwoord

vervoeging van
overleveren

overlever

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overleveren
    ... dat ik overlever.


Noors

Woordafbreking
  • over·le·ver

Werkwoord

overlever

  1. gebiedende wijs van overlevere


Nynorsk

Woordafbreking
  • over·le·ver

Werkwoord

overlever

  1. gebiedende wijs van overlevere