overladen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • over·la·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overladen
overlaadde
overladen
gemengd volledig

Werkwoord

overláden

  1. (overgankelijk) een overmaat doen belanden op iemand, gewoonlijk in overdrachtelijke zin
    Het publiek overlaadde de zanger met gejuich en applaus.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overladen
laadde over
overgeladen
gemengd volledig

Werkwoord

óverladen

  1. (overgankelijk) een lading vanuit het ene voer- of vaartuig in het andere brengen
    In Rotterdam wordt veel vracht van de zeevaart overgeladen op de binnenvaart.