overig
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ove·rig
Woordherkomst en -opbouw
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | overig |
| verbogen | overige |
Bijvoeglijk naamwoord
overig
- overblijvende (datgene van het geheel wat nog overblijft buiten het eerdergenoemde)
- De drie marktleiders hebben de prijzen verhoogd. De overige bedrijven zullen deze prijsverhoging wel volgen.